logoTitel

Doolhofzwam (Daedalea quercina)

Algemene kenmerken:

Eén van de eerste paddenstoelen die ik door Frank Vandendriessche heb leren kennis is de doolhofzwam (Daedalea quercina). Deze soort vormt vruchtlichamen die één- of meerjarig zijn en hoef- tot halfrond consolevormig. De afmetingen bedragen 10 tot 30 cm op 10 tot 20 cm. Vanaf de basis zijn ze 3 tot 8 cm en de dikte bedraagt 1,5 cm tot 7 cm. De bovenzijde is knobbelig-golvend en zwak concentrisch gezoneerd en viltig (zie Figuur boven). De kleur is licht- tot grijsbruin, met een scherpe rand. Vaak zijn er ook grijze tinten aanwezig. Bij droogte kleuren ze bleek bruin. Ze voelen hard en kurkachtig aan en groeien solitair of in groepjes boven elkaar (zie Figuur midden onder). De buisjes van deze gaatjeszwam (familie Polyporaceae) zijn onregelmatig lamelachtig en lijken meestal op plaatjes. Deze lamellen geven de paddenstoel zijn naam omdat deze plaatachtige structuren in elkaar overlopen als een labyrint (zie Figuur linksonder). De individuele lamellen zijn 1-3 mm breed en 1-3 mm dik en lichtbruin, soms met roze tinten. Niettegenstaande de doolhofzwam een gaatjeszwam is, zijn er geen echte gaatjes aan te merken. De geur van deze soort is aangenaam en zoals de meeste houtzwammen is de doolhofzwam niet eetbaar, maar ook niet giftig. De soort is vrij algemeen terug te vinden op dood loofhout, ook indien dit bewerkt is, voornamelijk eiken. Het is een saprofyt, die mogelijks ook parasitair kan leven. De geslachtsnaam Daedalea komt van Daedalus, de man die werd opgesloten in het labyrint van Knossos, dat hij op Kreta voor koning Minos bouwde en waaruit hij later met zelfgemaakte vleugels samen met zijn zoon Icarus wist te ontsnappen. Deze vleugels waren echter van was gemaakt en waren vlug gesmolten onder de mediterrane zon.

Indeling:

De doolhofzwam is nauw verwant aan de roodporiehoutzwam (Daedaleopsis confragosa) (zie Figuur rechtsonder). Het deel ‘opsis’ in de geslachtsnaam betekent letterlijk ‘gelijkend op’. Polyporaceae is een grote familie van fungi behorend tot de orde Polyporales of Aphyllophorales (‘zonder plaatjes’). Dit is één van de grootste families (125 genera en 700 soorten) binnen de orde. Leden van deze familie worden algemeen aangeduid met de term ‘polyporen’, verwijzend naar de hymenofoor (drager van het hymenium = laag waar sporen gevormd worden), die bestaat uit poriën. De paddenstoel van de maand vormt hierop een belangrijke uitzondering. De vruchtlichamen van deze familie zijn gewoonlijk taai, leer- of kurkachtig tot houtig, korst- of schelpvormig of uitzonderlijk gelijkend op een klassieke paddenstoel met een steel en hoed. Ze groeien allen op hout. De grotere vormen blijven meerdere jaren na elkaar doorgroeien waarbij elk jaar een laag van buisjes wordt gevormd.